Het kloveniersgilde van St. Antonius door G. J. REHM

Het kloveniersgilde van St. Antonius

te Terheijden
door
G. J. REHM

 

Voor een onderzoek naar de geschiedenis van het St. Antoniusgilde te Terheijden zijn slechts weinig bronnen bewaard gebleven .

Het gildearchief van 1725 tot  1908 is grotendeels  verloren  gegaan en het resterende is dan nog her en der verspreid. Het oudste gildeboek 1660-1725 berust sedert 1933 in het Stedelijk Museum te Breda. Het gilde beschikt zelf nog over een uit  1772 daterende copie van de gilde­ kaart en een jaarverslagenboek  aanvangende met het jaar  1908.

Tezamen met gegevens uit het gemeentearchief van Terheijden, het archief van de Nassause Domeinraad en verschillende krantenberichten was het toch mogelijk hieruit voldoende stof bijeen te garen om  een overzicht te kunnen geven over de oprichting , de plaats  van het  doel, het koningschieten, het vaandel en de teerdagen van het gilde.

 

Oprichting

 

Verscheidene data worden als jaar  van oprichting vermeld n.l. 1551 op de huidige ledenlijst, 1558 op het vaandel en 1650 op de copie van de gildekaart . Bij verdere onderzoekingen doken  er  nog  twee  thans niet meer bekende  data  op  t.w.  1651 en  1661. De hoop  uit  deze vijf de juiste te kunnen kiezen werd de bodem  ingeslagen  bij raadpleging van het archief van de Nassause Domeinraad .

Het verlenen van octrooien tot oprichting van gilden en het vast­ stellen van gildebrieven behoorde voor wat de Baronie  van Breda  be­ treft tot de competentie van de Prinsen van Oranje, als  Heren  van Breda, die voor  het behartigen van hun belangen een Raad en Reken­ kamer hadden ingesteld, ook wel genoemd Nassause Domeinraad .

In  1660  verzochten  schout,  schepenen  en  enige  ingezetenen  van Terheijden een schuttersgilde te mogen oprichten en de bij hun rekest gevoegde keur – t.w. de gildekaart – goed te keuren. Dit verzoek werd ingewilligd bij besluit van 12-15 maart 1660.1 Is hiermede de oprichtingsdatum bekend, hierna volgende gegevens kunnen de juistheid daarvan nog nader bevestigen.

Het bovengenoemde gildeboek -weliswaar uiteengevallen en door vocht zwaar beschadigd -vangt aan met een gescheurd  fragment  van een bladzijde waarop nog te lezen valt, dat in  januari  1662 voor  de éérste maal de gilderekening werd afgehoord en dat uitgaven  gedaan waren voor het aanschaffen van het blazoen (d.i. de schietschijf), de trommel, het inlijsten van de schildjes en  de inrichting van het doel. Volgende pagina’s vermelden, dat op 11 september 1662 op de vogel werd geschoten, waarbij Aart Lucassen van Bladel koning werd . Men noemde hem de derde koning van het gilde, aangezien het koningschie­ ten slechts éénmaal per jaar tijdens de kermis in september plaats vond , valt te concluderen dat  in september 1660 voor de eerste maal op de vogel geschoten werd .

Ook werd aangetekend dat rond St. Antbonisdag 17 januari  1663 voor de derde maal werd geteerd. De teerdagen hield  het  gilde  steeds op of rood de patroonsdag 17 januari, aldus viel de eerste teerdag in januari 1661.

Ten overvloede tekende men nog aan dat de op 21 februari 1663 begraven Jan Swaen de eerste was, die het gilde door de dood ontviel.

Al deze gegevens bevestigen 1660 als jaar van oprichting, dus blijft ons nu nog slechts over de andere data te ontzenuwen.

In 1662 waren  er 24 gildebroeders,  in  latere jaren  bleef  dit aantal rond de 20 zweven.
In 1719 telde het gilde weer 24  leden.  In dat laatste jaar overleed de hoofdman Adriaan Brants, schout van Terheij­ den, zijn opvolger werd de nieuwe schout Marijnis  Ruijghaver.  Men krijgt de indruk, dat deze toen ongeveer 19-jarige jongeman bij  de oudere gildebroeders niet erg in de  smaak  viel.  Hij  moet  trouwens geen gemakkelijk heerschap geweest zijn, hetgeen  kan  blijken  uit  een in 1722 tegen hem aangespannen crimineel proces omdat hij als schout van Terheijden tegen twee inwoners van Zwaluwe, die in Terheijden burengerucht  hadden  veroorzaakt ,  persoonlijk  nogal  hardhandig was opgetreden. Zó hardhandig zelfs dat er later een van de arrestanten overleed.
In later jaren is er zelfs sprake van een langdurige onenigheid tussen deze schout en zijn schepenen.Wat  ook  de oorzaak  geweest  moge zijn, tussen  1719 en  1722 be­dankten er 15 van de 24 leden, waaronder 3 der oudsten, die bij  hun uittreden al tussen  de  20  en  39 jaar  gildebroeder  waren . Zij  werden in 1724 nog gevolgd door 2 andere oudere leden, waarna  het  gilde naast de hoofdman nog slechts bestond uit 13 gildebroeders, waaronder er 9 tussen  1717 en 1724 waren töegetreden.

Hoewel  het  bij  gebrek  aan  archivalia  niet  te  bewijzen  valt,  krijgt men toch sterk de indruk,  dat  het  gilde  in  de hierna  volgende  jaren een kwijnend bestaan heeft geleid. Een heropleving had dan plaats in 1772, we kunnen dit concluderen  uit  het  feit,  dat  op  2  oktober  van dat jaar de gildekaart werd gecopieerd en men tevens een ruitvormig paneel met de patroon St. Antonius liet schilderen. B ide  stukken zijn nog in het bezit van het gilde. Bovendien liet het gilde in  1775 rouw­ mantels vervaardigen, die gebruikt werden bij de uitvaart van gilde­ broeders.

Degene, die de gildekaart in 1772 copieerde, moet zich óf in de datum vergist hebben, óf het thans verdwenen origineel was toen al slecht leesbaar geworden, ofschoon de kaart zelf in 1712 werd ingelijst en het jaar tevoren een doos om het zegel was gemaakt. Hij las als datum 12-15 maart 1650. De onjuistheid hiervan blijkt duidelijk uit de geboortedatum – 14 november 1650 -van Prins Willem III van Oranje , namens wie het octrooi tot oprichting door zijn voogden werd verleend . Men kan toch niet aannemen, dat men reeds acht maanden vóór zijn geboorte namens hem optrad . Met het oog hierop werd later weer verondersteld, dat i.p.v. 1650 het jaartal 1651 moest gelezen worden. Aan de hand van de datum op de copie  vierde  het  gilde  in 1850 het 200-jarig bestaan, blijkens de herinneringsmedaille  welke heden nog door de hoofdman gedragen wordt.

In 1879 liet het gilde een nieuw, thans nog gebruikt , vaandel ver­vaardigen, waarop het jaartal 1558 werd geborduurd. Nergens was te achterhalen  hoe  men  aan  dit  jaartal  is  gekomen.  Een  krantenbericht vermeldt over 2 juni  1879: “Heden deed volgens het aloude gebruik het gild van St. Antonius vanaf 1661 alhier bestaande, een optocht door de gemeente, maar ditmaal opgeluisterd door een prachtig nieuw vaan­ del, dat de leden van het gezelschap hadden aangekocht ….” In de vrij nauwkeurige beschrijving van het vaandel wordt dan gezegd, dat er behalve 1879 ook het jaartal 1661 opgeborduurd was. Of deze bericht­ gever heeft het vaandel niet gezien, óf – en dit is onaannemelijk – werd het jaartal 1661 later vervangen door 1558.

Naar aanleiding van dit jaartal op het vaandel werd op 2e Pinkster­ dag 1908 het 350-jarig bestaan met grote luister gevierd. Het dorp was versierd met groen en erebogen. Vele gilden en harmoniegezelschappen waren aanwezig. Diverse medailles waren als prijzen ter beschikking gesteld o.a. een door H.M. Koningin Wilhelmina.

Vreemd is echter dat nóch in de redevoeringen, nóch in de kranten­ verslagen, nóch  in de subsidieaanvrage  bij de gemeente  e.d. ook maar in de verste verte iets over de geschiedenis van het gilde zelf vermeld wordt.  Aangenomen moet dan ook  worden,  dat alleen  het  jaartal  op het vaandel tot het houden van dit eeuwfeest aanleiding is geweest.
Na  1908 is zonder  bekende  aanleiding  het  oprichtingsjaar  gesteld op 1551. De huidige ledenlijst  prijkt  met deze oude datum, en dit gaf weer de gelegenheid om in 1951 het 400-jarig bestaan te herdenken.

Bewijzen voor  1551 of  1558 als jaren  van oprichting zijn nergens te vinden. Wel bestond er in de 16e eeuw een schuttersgilde in Ter­ heijden. Van Goor vermeldt, dat de schutten van alle baroniedorpen deelnamen aan de jaarlijkse  omgangen  ter ere van het H. Kruis en het H. Sacrament van de Niervaart  in de stad Breda. De schutten van Ter­heijden worden daarbij met name genoemd.lO  Deze omgangen werden tengevolge van de godsdiensttwisten  ná  1577  niet  meer  gehouden. Een schuttersgilde te Terheijden was er dus reeds vóór 1577, het moet echter tijdens de Tachtigjarige Oorlog opgehouden hebben te bestaan.

Er bestaat evenmin een aanwijzing, dat dit 16e eeuwse gilde een voorloper was van het huidige, nóch dat in 1660 een heroprichting heeft plaats gehad. In het eerder genoemde verzoek tot oprichting in 1660 gedaan wordt met  geen  enkel woord gewag gemaakt van een vroeger gilde of herinstelling. Er werd slechts geschreven: “dat sijluyden groote-Iijcx genegen wesende met busse oft roer om te gaen -tot een eerlijcke exercitie ende omme daeraff betere handelinge te crijgen -geerne zou­ den oprechten ende eregeren eene broederschap ofte gilde van clove­ niers.”

Ook 1551 en 1558 als jaren van oprichting van het huidige gilde moeten dus naar het rijk der fabelen verwezen worden.

 

Plaats  van het doel

 

Reeds werd aangehaald, dat er in de eerste rekening van het gilde sprake was van de inrichting van een doel en de aanschaffing van het blazoen. Het doel werd ingericht op de stede van Aart Harmans Gul­ denhoeck. In het belastingkohier van 1666 wordt hij vermeld als be­ zitter van een nieuw huis in het dorp. Het moet ongeveer  gelegen hebben  ter plaatse van Hoofdstraat  27 .11
Tot 1712 vonden nimmer uitgaven plaats voor het  doel,  evenmin voor huur van de grond daarvoor; er bestond dus waarschijnlijk een stilzwijgende overeenkomst met de bezitters van de grond  over  het gratis gebruik ervan. De grond was in al die jaren in het bezit van de familie Guldenhoeck, waarvan er enigen gildebroeder waren.

In 1712 liet het gilde een nieuw doel aanleggen. De grond waarop die kwam te staan werd in 1713 voor 66Yz gulden gekocht en behoorde aan de stede van de gildebroeder Govert van der Made. 12 De huidige plaats daarvan was nauwkeurig te achterhalen, het betrof  een  strook grond achter de tuin van het pand Hoofdstraat 35, thans bewoond door de heer M. van Son, naast het postkantoor. Uit de vorm van het perceel op de kadastrale kaart is nog zeer goed te zien, dat het als schietbaan heeft dienst gedaan.

De bouw van het doel vond in 1714 zijn voltooiing. Een doel be­ stond elders uit een ca. 3 meter hoge en enige meters brede zandhoop, waarop een houten schutting werd geplaatst, die aan de voorzijde voor­ zien was van een dikke kleilaag. 13 Hier echter werd voor de gilde­ knecht vermoedelijk een verblijf in het  doel gemaakt, want  er werden uitgaven gedaan voor het maken en aanbrengen van een deur.

Het geld voor de aankoop van de grond en de aanleg verkreeg het gilde uit een lening van   f 100,-. Deze som kon in 1720 worden afge­ lost uit de opbrengst van een hoofdelijke omslag en van de verkoop van zes zilveren koningsschilden.
In 1847 werd  een  gedeelte  van  de  grond  verkocht  en  rond  1851 de rest.
Waar nadien op de schijf  geschoten werd is mij onbekend.

 

Het schieten

 

Voor het schijfschieten werd het gilde in 2 à 4 rotten verdeeld, aanvankelijk  in  januari,
later  in  april  of  mei.  Ieder  rot  bestond  uit 7 à 9 man.  Het  schietseizoen  begon  op een zondag in april met  dien verstande, dat het eerste rot  begon  te schieten  op de vastgestelde  dag en de andere steeds een of twee weken later.

Het koningschieten had plaats in september tijdens de kermis. Wie de vogel afschoot werd koning en was een geheel jaar van alle kosten nog slechts de helft verschuldigd.

Reeds in het eerste jaar schoot het gilde op de vogel. De daarvoor benodigde boom mochten de gildebroeders volgens het besluit van de Domeinraad van 11 juni  1660 zelf uit het Mastbos halen.
Het  vogelschieten  hield  stand  tot  in   1664,  daarna   verbood   het dorpsbestuur tengevolge  van  de “commerlijcke  tijden” publieke  verga­ deringen, maaltijden en uitvaarten zowel in herbergen als in particuliere huizen. Een verbod dat op 5 november 1666 nog eens werd herhaald. 16 In  1674  toen  de  stang  van  de  schutsboom  door  harde wind  was omgewaaid en het gilde dit liet herstellen om met de kermis de papegaai of vogel  te  kunnen  schieten,  achtte  het  dorpsbestuur  het  nodig  ”soo­ danich schieten, dartel- en wulpsheden daeromtrent alsdan met afschie­ ten van roers, trommels, bussen ende velonsen gepleecht werden voor te comen ende te beletten” in deze tijd van droefheden en zware harde oorlogen “waarmede Godt Almachtich ons Lieve Vaderlant om onser sonden willen compt te besoecken” .

Eindelijk konden de gildebroeders op 11 september  1679  ”nadat men in lange jaren met belet van den Fransen Oorlogh niet en hadde geschoten” hun schietvaardigheid wederom op de vogel beproeven. Dirk Huygh  Rombouts,  die in  vroeger  jaren  al tweemaal  koning geworden was, schoot de vogel  af  en werd  toen  tot keizer  uitgeroepen.  Van  nu af aan werd weer geregeld op de vogel geschoten, waartoe jaarlijks be­ talingen moesten geschieden aan timmerman en smid voor het vervaar­ digen van de houten vogel en de ijzeren plaat daaraan. Geregeld  moest het gilde voor het vogelschieten toestemming verzoeken zoals in 1704 aan de Commandeur van de vesting Breda en in 1714 aan  de  Stad­ houder van de Drossaard.
De boom waaraan de vogel werd gehangen behoefde natuurlijk ge­regeld herstellingen en soms algehele  vernieuwing  zoals  in  1696. Bij een herstel in 1707 toog het voltallige gilde naar het Mastbos om zelf hout te halen.
Op  1 april  1709 sloot  het  St. Antoniusgilde  een contract  met  het St. Ambrosiusgilde over het gezamenlijk gebruik van de boom. Het laatste gilde moest de eerstvolgende nieuwe boom betalen, latere aan­ schaffingen kwamen voor gezamenlijke kosten.

De eerste nieuwe boom op gezamenlijke kosten plaatste men in 1723. Het St. Ambrosiusgilde  werd in  1648 met  toestemming  van het dorpsbestuur opgericht als bijengilde, een gilde van bijenhouders dus.18 In 1662 verzocht dat gilde aan de Prins van Oranje om goedkeuring van de opgestelde artikelen. Hiertegen kwam echter een bezwaar binnen van bijenhouders uit Zevenbergen, daarbij gesteund door de rentmeester der domeinen van Zevenbergen, waarop de zaak afketste. Een nieuwe poging in 1707 door het St. Ambrosiusgilde gedaan om vaststelling van zijn gildekaart te verkrijgen sorteerde op 28 februari 1708 succes. In de artikelen was opgenomen,  dat het gilde op St. Bartholomeusdag  24 augustus prijs- of vogel zou schieten. Voor dit vogelschieten mochten de gildebroeders een of twee boompjes uit het Mastbos halen. 19

 

Het St. Ambrosiusgilde  bestond nog in 1808,20  doch moet niet lang daarna zijn opgeheven.

 

Gildezilver

 

Wie bij het vogelschieten koning geworden was, was verplicht een zilveren schild ter waarde van zes gulden aan de spang te hangen. In januari 1701 hingen er 14 aan, het zouden er 27 geweest zijn had men er in 1680 niet 4 geschonken aan de keizer van  het gilde en in 1693 niet  9 verkocht.

Een tweede lijst van het zilver werd in 1707 opgemaakt en bij­ gehouden tot 1711. Vóór 1707 waren er alweer 3 schilden verdwenen, het totaal in 1711 bedroeg 21, doch in 1720  werden er opnieuw 6 verkocht om de lening voor  de  aanleg van  het  doel  af  te lossen.  De 15 toen  nog overgebleven schilden zijn thans ook niet  meer  bewaard, het huidige oudste zilveren schild dateert uit  1802.
Wel beschikt  het gilde nog over een  17e eeuwse zilveren papegaai of vogel. Mogelijk is dat een van de drie zilveren vogels aan een zilveren ketting, die -met de vier schilden -door het gilde op 16 september 1680 aan de genoemde keizer werden geschonken, zoals ook elders gebruikelijk was.

 

Vaandel

 

Een gilde  zonder  vaandel  is  ondenkbaar,  vanaf  de  oprichting  zal er dan ook een bestaan hebben. Bij de begrafenis van de eerste over­ leden gildebroeder in 1663 werd voor zijn lijk het “schutterlijck wapen” gedragen en op zijn kist lagen de zes schilden van het gilde. Vermoede­ lijk werd met dit wapen het vaandel bedoeld. Herhaaldelijk worden uitgaven geboekt voor reparaties aan het vaandel, zo  in  1681,  1683, 1695 en 1697. Na dit laatste  jaar  was  het  in  een dergelijke  toestand, dat tot aanschaffing van een geheel nieuw vaandel moest besloten wor­ den. In 1700 werd daarvoor  34)1 gulden  betaald  aan Maria  de Lanoy te Breda. De benodigde som verkreeg men ook hiervoor door een hoof­ delijke omslag over de gildebroeders.

Dit vaandel zal reeds de beeltenis van St. Antonius gevoerd hebben, want in 1701 gingen de bestuurders van  het  gilde  naar  de hoofdman om hem  in zijn kwaliteit van schout van Terheijden te verzoeken dit vaandel te mogen voeren zonder dat het gilde daardoor in moeilijkheden zou geraken. Men leefde toen immers in de tijd dat de R.K. godsdienst­ oefeningen slechts oogluikend werden toegelaten en dan nog in schuur­ kerken. Een vaandel met de beeltenis van  een heilige  meedragen  kon wel eens als een processie  gezien en dus verboden  worden.  Het gilde nam met St. Antonius abt de patroonheilige  van  de parochiekerk  tot zijn patroon.

Reeds in 1704 moest zijde ter reparatie van het vaandel aangeschaft

worden. Tien jaar later werd een ijzer gekocht om het vaandel in te steken. In 1717 opnieuw een herstelling en in 1720 werd er een knop aangemaakt. Ondanks al deze herstellingen en verbeteringen was in 1722 wederom een nieuw vaandel nodig, er werd toen zijde aan­ gekocht, die beschilderd werd; ook volgden uitgaven voor het naaien en voor een knop eraan. In totaal bedroegen de uitgaven lOYi gulden.

Dit alles lijkt meer te wijzen op een vlag dan op een vaandel. Mo­gelijk is het dan ook de heden nog bewaarde, zwaar beschadigde, be­ schilderde vlag, welke vermoedelijk  als vendel gezwaaid zal zijn.

In 1879 schafte het gilde, zoals boven aangehaald, het huidige vaandel aan. Volgens het genoemde krantenbericht, dat behoudens het jaartal 1558 een zeer nauwkeurige beschrijving ervan geeft, werd het

vervaardigd  door J. van Kalken, een borduurder  van  kerkgewaden,  te Breda.

Een vaandel te mogen dragen was een hele eer, in 1697 betaalde Jacobus Rebel er f 40,- voor aan het gilde. Hij mocht  het  daarvoor zijn leven  lang dragen, doch was verplicht eventuele  door  schuld  ont­stane beschadigingen uit eigen zak te laten herstellen en moest het vaandel bewaren in de gildekamer  of  een  ander  huis  in de kom  van het  dorp. Rebel verkocht  zijn recht  met  toestemming  van het  gilde in 1705 voor f 44,- aan Geerit de Kat. Deze verliet het gilde in 1708 en werd toen opgevolgd als vaandrager door  Adriaan  van Miert.  Of deze er  iets voor  heeft  moeten  betalen  werd  niet  aangetekend.

 

Teerdagen

 

Bijeenkomsten hield het gilde op of rond de patroonsdag 17 januari, rond Pasen en tijdens de kermis  in  september.  Rond  1722 ook  nog met Kerstmis.

In januari kwam men 2 à 4 dagen tezamen om te teren en de reke­ning van  de administrerende deken af te horen; met Pasen  werden de rotten gesteld, dus opening van het schietseizoen; tijdens de kermis had het koningschieten  plaats en kwam men weer 2 à 4 dagen tezamen.
Afb. 31.   Gildevlag van het St. Antonius gilde.
Afb. 32.    Vaandel  van  het St. Anton iusgilde
vervaardigd door J. van Kalk en. Middenstuk geschilderd
Foto H . A . Hagen.

ShowDocument_0101

 

 

ShowDocument_0111

 

 

 Afb.  33.    St. Antonius  de  Grote.  Paneelschilderij.  1772
Afb.  34.    Zilveren  medaille  1850.

 Foto  H.  A.  Hagen.

Voor de bijeenkomsten werden de leden door de tamboer letterlijk opgetrommeld. De tamboer was geen gildebroeder, doch werd steeds gehuurd. Wel had het gilde de beschikking over een eigen trommel blijkens herhaalde uitgaven  voor reparaties daaraan.

Vermoedelijk begon men ook al in deze tijd de dag met een H. Mis
in ieder geval bestond er binding met de kerk, want in 1720 liet het gilde een nieuwe lijst vervaardigen om het schilderij van St. Antonius, dat in de kerk hing.

De bijeenkomsten werden gehouden in de gildekamer,  deze  had geen vaste plaats, maar was meestal gevestigd ten huize van een gilde­ broeder-herbergier. Ieder jaar  werd  het gilde  aanbesteed  d.w.z.  met een herbergier een bedrag overeengekomen  dat per lid per  dag tijdens de teerdagen  verschuldigd zou zijn voor de verteringen. Dit had alleen betrekking op eetwaar, want voor  bier  en drank  zorgde het  gilde zelf, of betaalde dit afzonderlijk.

Het moet  er vrolijk  zijn  toegegaan  tijdens  die dagen, steeds waren speellieden aanwezig, die op viool en bas speelden en in 1719 was daar zelfs nog een  “fluiter” bij.

Ieder jaar  moesten uitgaven geboekt worden voor gebroken glas- en aardewerk. Aanvankelijk kreeg de herbergier ook een afzonderlijke af­ rekening voor de levering van pijpen en tabak, later is dit vermoedelijk bij de bestedingsprijs inbegrepen, want dan komen  die  uitgaven  niet meer voor.

De  speellieden,  de  tamboer  en  de  gildeknecht  kregen  tijdens  de teerdagen voeding en onderdak op kosten van het gilde, aan hen werd genever of brandewijn  geschonken. De gildebroeders zelf  dronken bier.

In de eerste jaren  van  het  bestaan  van  het  gilde waren  de echtge­

noten van de leden in januari de eerste twee dagen van het teren aan­ wezig. In het begin van de 18e eeuw weerde men de vrouwen echter, hetgeen een van de voornaamste redenen zal geweest zijn, dat verschil­ lende jongelingen  spoedig na hun huwelijk uit het gilde traden.

Toen de vrouwen nog toegelaten waren zal men wel gedanst hebben, daarna vindt men uitgaven voor spellen kaart.  De  echtgenoten  waren weer  wel  aanwezig  in  1710, toen  mede  en genever  voor  de vrouwen werd aangeschaft . Maar gezien het oprichtingsjaar 1660 was dit een bijzondere gelegenheid. Zo dronken de gildebroeders in 1685 46}’4 potten wijn . Een dergelijke hoeveelheid wijn schafte men  in  andere jaren niet aan, het gilde zal dus toen het 25-jarig bestaan met een heildronk  herdacht hebben.

Er  werd  tijdens  de  kermis,  maar  vooral  in januari  heel  wat  bier

verbruikt. Nemen  we  de  rekening  over  1718 als uitgangspunt  om  dat te bewijzen. Voor de kermis waren aangeschaft 4  tonnen  en  3 vaten bier, gezien de prijs was een ton gelijk aan 2 vaten, dus in totaal 5!/z ton. Deze hoeveelheid  consumeerden 19 personen in 3 dagen. Wanneer we nu weten, dat een ton 100 potten bevatte en iedere  pot  1,6 liter inhield , dan wil dat zeggen dat per man per dag 15!/z liter bier werd gedronken . Daarbij moet men dan nog bedenken dat men tijdens de kermis niet gehele dagen bijeenkwam, wel deed men dat tijdens de teerdagen in januari. Voor St. Antoniusdag  1719 moesten  16 tonnen bier aangeschaft worden, die door 24 personen in 4 dagen werden ge­ ledigd. Een berekening daarvan geeft als uitslag dat men per man per dag  -schrik niet  -ruim  26  liter  bier  dronk.

De kosten voor de teerdagen  beslaan  dan ook het leeuwendeel van alle uitgaven der rekeningen. Het is daarom, dat men in 1700 getracht zal hebben speciaal voor het gilde bier te laten brouwen, er werd toen hop,  mout,  boekweit,  tarwe,  turf  en  mutsaard  aangekocht.  De uitslag moet  echter  ongunstig  geweest  zijn,  want  het  is bij  deze  ene  poging gebleven.

De uitgaven van het gilde, ook die voor de teerdagen, werden be­ streden uit hoofdelijke omslagen en uit de inkomsten. De laatste be­ stonden uit de f 6,-, die ieder verschuldigd  was bij inkomen, uitgaan, begraven en begraven van echtgenote en aanvankelijk ook uit de f 3,­
bij de geboorte  en  overlijden van kinderen van gildebroeders. Boven­ dien kwam nog iets in het laatje van opgelegde boetes.

AANTEKENINGEN

 

1 A.R.A.  ’s-Gravenhage,  Archief  Nassause  Domeinraad  1122,  f.  32-44  en

f. 46; een ongedateerde copie van de gildebrief berust in het G.A. Terheijden,

deze  draagt  op  de rugzijde  het  jaartal   1660.

.2  Stedelijk Museum Breda, Gildeboek St. Antoniusgilde Terheijden bevat:

  1. Fragmenten van de eerste rekeningen  over 1661 en 1662;
  2. A.Fragmenten  van, of zwaar beschadigde  rekeningen over 1680-1724 en
  3. Aantekeningen  over diverse onderwerpen, vaak  tussen  de rekeningen  geplaatst,
    1662-1663 en 1679-1725.

De meeste  gegevens  voor  bovenstaand  artikel  zijn  uit  dit  gildeboek  geput.

3   G.A. Breda, R Breda 134-19, (Processtukken  in criminele zaken).

4   G.A . Terheijden, Notulen  van  het dorpsbestuur uit de jaren  van  het schout­

ambt van  M . Ruyghaver.

ó   Als  noot  1, 1122, f. 357.

6   J. A. Jolles – De schuttersgüden en schutterijen van Noord-Brabant . ‘s-Her­

togenbosch,  1933. Dl. II, p.  151 e.v.

7   Deze medaille draagt als opschrift: “Medaille van  het  200 Jaarige Jubelfeest

van  het  Gild  S’Antonius den  grooten  te Terheiden. Behaald  door den  Heer

L. C. Enschede  den  7 Ocr.  1850 en  door  hem  weder  aan  het  Vaan  Ver  Eerd.”

8   Nieuwe  Bredasche  en Oosterhoutsche Courant . Bijvoegsel  8 juni  1879.

9   Dagblad  van  Noord-Brabant  11 en  12 juni  1908; Jaarver slagenboek  in bezit van het gilde, jaarverslag 1908; G. A. Terheijden , Raadsnotulen 30 apr. 1908 en  ingekomen stukken  1908.

lO  Th. E. van Goor – Beschrijving der Stadt en Lande van Breda . ‘s-Graven-

hage, 1744, p. 90.

11  G.A. Terheijden,  Kohier  der  verpondingen  1666-1692.

12  G.A. Breda,  R. Terheijden  654, vestbrief  5  mei  1713.

13  Als noot 6, Dl. I, p. 10.

14  G.A. Terheijden, Kadastrale leggers, art. 427.

15  Als noot  1, 1122, f. 47.

16   G.A.  Terheijden,  Publicaties  dorpsbestuur   5  nov.  1666.

17   G.A. Terheijden, Notulen  dorpsbestuur  1674.

l8 G.A. Terheijden, Stukken betr. het St. Ambrosiusgilde.

19   Als noot 1, 1122, f. 49, f. 59-61 vo” f. 135 e.v. en f . 144.

20    G.A. Terheijden,  Bewijsstukken  bij rekenin g  1808, no.  100 en  101.

21    Voor de omrekening van tonnen in liters zie: P. Scherft – Het Stedelijk

IJkwezen te Breda. In: Jaarboek “De Oranjeboom” V, (1952), p. 87 e.v.